Honingemmer van

Doekele Hellema

1865-1937

Bijenhouderij ‘De Vlijt’ in Wirdum (Fr.)

 

Deze honingemmer is door Doekele Sytzes Hellema uit Wirdum verkocht aan zijn neef de marinearts Doeke Hz Hellema uit Den Helder, beide mannen waren kleinzonen van Doeke Wijgers Hellema 1766-1856.

Deze grootvader begon in 1836 door een toeval met het houden van bijen. Zijn zoon Sytze nam het later over en werd professioneel bijenhouder en visser waarna diens oudste zoon Doekele de bijenhouderij overnam en ‘De Vlijt’ noemde.

Bij zijn huwelijk staat Doekele vermeld als zijnde 'zonder bepaald beroep'. Bij de geboorte van zijn dochter in 1908 is hij imker. Ook in 1934 is hij imker. In 1928 staat hij vermeld als 'bode brandwaarborgmaatschappij'. Dat zal wel de O.B.A.S. zijn geweest waarvan grootvader medeoprichter was. 

 

Het begon dus bij grootvader Doeke Wijgers Hellema. Deze schoolmeester en belastingontvanger werd door omstandigheden rond 1819, op 53-jarige leeftijd boer. Op een dag vestigde zich er toevallig een bijenzwerm op zijn boerderij in de buurt van Wirdum (Fr.) en hij vroeg hulp van een deskundige. Hieronder enkele fragmenten uit zijn dagboeken:

 

Sedert eenige dagen ontdekten wij eenige bijen in een dikken boom, dog gistermorgen een gehelen zwerm, ik verzogte een deskundigen, om dezen zwerm welke in de boom gekropen was, in een korf op te vangen; na veel moeite een gat in den boom gekapt te hebben, gelukte het hem de zwerm in een korf op te nemen, een staltje gemaakt hebbende plaatsten wij den korf daar in - Het schijnt volkomen gelukt te zijn, want heden zijnze al werkzaam en vliegen af en aan.

 

Doeke kocht een korf voor vijf gulden. Honing voor de winter had hij niet. Toch overleefde de zwerm en ontwikkelde zich goed. Er groeiden de volgende lente volop paardenbloemen in de wei. Doeke zette vast een tweede korf klaar. Na verloop van tijd breidde de bijenhouderij zich uit. Twee andere bijenhouders brachten hun bijen tijdens de zomer naar de Drentse heide. Ook die van Doeke gingen mee. Een reis van twee lange dagen met twee paarden en een wagen.

 

(5 oktober) De bijen zijn den 1 dezer ‘s avonds laat te huis gekomen met weinig gewin, de anderen hadden hunne korven alvorens uitgeslacht, deze zijn weg, en de mijne waren tamelijk voorzien, evenwel wegen mijne korven thans maar 21, 23 en 25 lb. die wij thuis gehouden hadden weegt 20 lb., zoodat met het wegbrengen der anderen en weder te huis halen de moeite en kosten lang niet beloond zijn. Zij hebben 5 a 6 weeken in Drenthe op de Heide gestaan. Indien mogelijk wil ik bij welzijn met voederen zien om mijne 4 korven door de winter te krijgen.

 

In december waren de bijen nog actief bij zonneschijn. Doeke had er duidelijk plezier in. Hij koos zijn werkwijze op basis van ervaringen van hemzelf en anderen.

 

Thans bij zonneschijn vliegen de bijen ook uit, ik mag deze diertjes zoo gaarn eens zien dewijl hun verblijf in de korven gedurende het winterzaizoen na eene opsluiting of gevangenis gelijkt; nu en dan bij gunstig weder, mag het hun gebeuren vrije lucht in te ademen met her en derwaarts rond te vliegen, en zich daarna voor een langer of kouder verblijf in de korven weder op te sluiten.

 

Ik ben in het voorjaar met één korf begonnen en heb er thans 3 ik hadde in de nazomer vier maar een hebben wij in de anderen overgestort. Ik hoop deze 3 te zullen doorkrijgen misschien met in het voorjaar een weinigje te voederen.

 

Het is de bijenhouders in het najaar slegt gelukt, alschoon gebruik maakten omze verre op de heide te plaatzen zooals ook de onze, maar hebben daar weinig of niets gewonnen, evenwel is het mij boven anderen gedurende den zomer een korf tot drie te formeren, geslaagt.

 

De bijen zijn heden meer dan gisteren uitgevlogen. Zij zijn nog goed levendig en helder, maar als zij doorkomen zullen moet de tijd leeren? Misschien dat ik in de volgende maand of in maart wel eenigzins hen  ondersteunen moet. Gaarn wenschte ik, dat mijne 3 korven erdoorkwamen.

 

(aug) Ik heb thans 7 korven met bijen, welke deze beide dagen ongemeen werkzaam zijn; als er dit jaar wat honing overschieten zal moet de tijd leeren, totnogtoe heb ik nog geen voordeel gehad, en ook dit jaar totnutoe staat het er zeer slecht met; de voorname bijenhouders hebben veel besteden moeten om de bijen te voederen, ook ik heb met mijn kleine stal, daartoe verscheidene ponden honing verbruikt.

 

De bijenhouderij breidde zich uit maar er waren ook tegenslagen. Van de elf korven moesten er zes weer worden aangevuld. Doeke genoot van de ijverige bijen en had er moeite mee om bijen te moeten doden.

 

Dit bijenhouden heeft mij dus niets ander als kosten veroorzaakt wegens het aanschaffen van korven, krammen bijendoeken en verwen, het zenden naar de Wouden, het beloonen dergenen, welke mij de behulpzame hand boden, enz. dog daarvan genooten wij allen het genoegen zoovele bijen aangekweekt te hebben, en bij mooije dagen de werkzaamheid dezer diertjes op te merken, dog thans de droefheid alle deze uit noodzakelijk te moeten dooden, door zwawel en in de grond te versmoren en te begraven.

 

In het eerste jaar hadde ik twee korven en in het derde jaar vijf korven naar de Wouden en t'elkens geheel mis. Het tweede jaar hield ikze te huis en waren van de kost voorzien. Deze handeling heeft mij geleerd, dat het voor diegenen welke om genoegens bijen houden beter is dezelve te huis te houden, dan naar de Heide te schikken; want bij goede jaren, konnenze hier de kost ja meer dan de kost winnen en dan heeft men tevens het genoegen dagelijks hunne ijver en gedurige werkzaamheden waar te nemen, terwijl men bij hunne afwezigheid daarvan ontbloot is.

 

Ik houde het dan daarvoor, dat het beter is dezelve te huis te houden, zich daarop toe te leggen, gedurende den zomer zooveel mogelijk goede zwermen te verzamelen en te vermeerderen, dezelve ongemoeid te laten staan, tot aan de herfst, en als dan te onderzoeken het gewigt van ieder derzelver, meer dan de kost hebbende, daaruit te nemen, en die te weinig hebben daarmede tot het noodige gewigt aan te vullen, en het dan nog overige zijnde tot genot op te slaan.

 

Mijne bijen werken bij eenig zonneschijn met grooten ijver er zijn overvloedig paardebloemen en voor dit gedierte genoegzaam voedsel.

 

Op enig moment had Doeke vijftien korven en had hij een opbrengst van 75 kilo honing. Zijn zoon Sytze nam het over en werd een echte imker. Sytze reed eens met 23 korven naar Drenthe. 

 

De andnere kleinzoon Doeke Hendrik Hellema (marinearts) schreef in zijn autobiografie dat hij jaarlijks een vat honing van zijn oom Sytze kocht. Hij ontving daarvoor een bevestiging en kwitantie. Hij schrijft dat een zoon van oom Sytze het overnam, zijn neef Doekele Hellema.